Jouw proces als vertrekpunt
Je systemen blijven. Het werk ertussen wordt eenvoudiger.
Een klantvraag loopt zelden door één applicatie. API Composer helpt gegevens en acties van bestaande systemen op het juiste moment bij elkaar te brengen. Je hoeft geen handmatige exports, losse scripts of nieuwe schermen als permanente tussenoplossing te accepteren.
Wat het voor jou doet
Aansluiten op jouw applicaties
We richten aanroepen, authenticatie en invoer in voor de systemen die jij gebruikt.
Resultaten terug in het proces
Een antwoord uit het ene systeem wordt bruikbare input voor de volgende stap.
Koppelingen die mee kunnen veranderen
De uitwisseling blijft herkenbaar en herbruikbaar wanneer een proces of applicatie verandert.
Een herkenbaar voorbeeld
Zo wordt het concreet.
Een aanvraag vraagt om ondertekening via ValidSign. Configureer de aanroep, vul de benodigde gegevens in en bewaar de ontvangen referentie voor het vervolg. Het proces gebruikt de bevestigde ondertekenstatus om een document te verwerken of juist een beoordeling of herstelactie te starten. De aanroep en de procesbeslissing zijn afzonderlijke, herbruikbare bouwstenen.
De plek in Service Automation Suite
De tussenstukken verzorgen wij.
API Composer is de verbindende laag. Data Flow Composer helpt wanneer gegevens eerst gecombineerd of vertaald moeten worden; Automation Composer kan daarna de afgesproken actie uitvoeren.
Voor integratiebeheerders en bouwers
Van API-aanroep naar herbruikbare processtap.
API Composer is configureerbaar: je bepaalt zelf request, brongegevens, body, uitvoermapping en foutregels. Bijvoorbeeld een ValidSign-aanroep waarvan de referentie en uitkomst verder worden gebruikt in een aanvraagproces.
Request en authenticatie inrichten
Stel methode, URL, query, headers en authenticatie in. Gebruik omgevingsvariabelen en overerving waar passend, zodat configuratie niet per proces hoeft te worden gekopieerd.
Gegevens ontdekken en passend maken
Onderzoek het antwoord met Discovery. Gebruik bronvelden, vaste waarden en bodytemplates voor de invoer. Map het resultaat naar een entiteit of Data Context voor vervolgaanroepen.
Succes, functionele fout en technische fout onderscheiden
Richt foutregels op HTTP-code en/of melding in, met functionele of fatale classificatie en een begrensd aantal retries waar zinvol. Bepaal daarnaast in de procesinrichting wat de inhoudelijke uitkomst betekent: doorgaan, aanvullen, laten beoordelen of een melding toewijzen.
Testen en opnieuw gebruiken
Test met representatieve invoer en reacties, inclusief ontbrekende data en afwijzingen. Gebruik paginering en time-outs passend bij de API. Hergebruik requests, sequences en mappings; Entity-uitvoer kan als benoemde Deliverable beschikbaar worden gemaakt.
De API bepaalt welke gegevens en acties beschikbaar zijn. Een technische foutregel regelt niet automatisch een bedrijfsbesluit: die opvolging configureer je met de andere bouwstenen.

